Verboden te stemmen
Ik ben mijn hele leven al geïnteresseerd in politiek en alles wat daarmee samenhangt. Mijn ouders waren trouwe VVD-stemmers en verwachtten eigenlijk dat ik hun voorbeeld zou volgen. Maar deed ik dat ook?
Toen ik achttien werd en voor het eerst mocht stemmen, had ik mijn politieke koers nog niet bepaald. Mijn ouders vonden het daarom verstandig om het gesprek met mij aan te gaan. Ik luisterde aandachtig, liet hun woorden bezinken en trok vervolgens mijn eigen conclusie. Die conclusie was helder: de kans dat ik ooit op de VVD zou stemmen, was klein.
In feite zeiden ze dat ik op elke partij mocht stemmen — behalve op de PvdA.
Dat werkte averechts. Juist doordat het niet mocht, raakte ik geïnteresseerd in wat de PvdA te zeggen had. Ik verdiepte me in hun verkiezingsprogramma, luisterde naar toespraken en nam de woorden van Joop den Uyl serieus. Hoe meer ik hoorde, hoe meer ik overtuigd raakte.
Mijn eerste stem ging dan ook naar de Partij van de Arbeid. Niet uit rebellie, maar omdat ik vond dat hun idealen het beste aansloten bij mijn eigen politieke denkbeelden.
De PvdA won die verkiezingen en regeerde met overtuiging. Ik keek er met tevredenheid naar en mijn betrokkenheid groeide. Natuurlijk was er stevige tegenwerking, met name van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. In Hans Wiegel hadden zij een scherp debater. Hij noemde Den Uyl ooit “Sinterklaas” met de woorden: ‘Sinterklaas bestaat, daar zit hij.’ Volgens Wiegel werd er te veel geld verspild. Den Uyl glimlachte, legde uit waar het geld werkelijk naartoe ging en pareerde de kritiek rustig. Voor mij voelde de PvdA in die tijd bijna onoverwinnelijk.
Totdat het Christen-Democratisch Appel roet in het eten gooide. Onder leiding van Dries van Agt bleek die partij bij de volgende verkiezingen te sterk. De PvdA belandde in de oppositie — een bittere pil, maar ook een periode van herbezinning.
Van Agt werd opgevolgd door Ruud Lubbers, die meer dan tien jaar minister-president bleef. In die periode groeide mijn overtuiging dat de PvdA de partij was die Nederland sociaal en economisch in balans kon houden.
Dat gevoel werd versterkt toen Wim Kok partijleider en later lijsttrekker werd. Zijn slogan was eenvoudig en eerlijk: ‘Ik beloof u geen gouden bergen, maar ik zal er alles aan doen.’ Die nuchterheid sprak mij aan — en met mij velen anderen. De PvdA werd opnieuw de grootste partij.
Onder Kok ging het economisch goed met Nederland. De werkloosheid daalde, de koopkracht steeg en er werd volop gebouwd. Het waren jaren van optimisme.
Maar de politieke strijd bleef. Binnen de VVD klonk de roep om een strengere koers. Rita Verdonk belichaamde die lijn en deed een gooi naar het partijleiderschap. Haar opponent was Mark Rutte, die met charme en souplesse de partij achter zich kreeg. Uiteindelijk zou hij jarenlang minister-president blijven.
Intussen zag ik met lede ogen hoe de PvdA langzaam terrein verloor. Ook de fusie met GroenLinks bracht het oude elan niet terug.
Vandaag de dag ben ik nog steeds geïnteresseerd in politiek, maar ik ga niet meer stemmen. Niet uit onverschilligheid, maar omdat ik mij niet langer gehoord voel. Toch denk ik vaak terug aan de tijd van Den Uyl en Kok — leiders die hun partij wisten te verbinden met brede lagen van de samenleving.
En soms glimlach ik om de ironie: mijn ouders wilden koste wat kost voorkomen dat ik op de PvdA zou stemmen. Juist daardoor deed ik het wél.
© John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.
Reacties
Een reactie posten