Het briefje dat me stil kreeg

 

Tijdens mijn vrijwilligerswerk in een ouderenverzorgingshuis in Enschede bezoek ik mensen die zich soms een beetje eenzaam voelen. Daar heb ik in eerdere columns al over geschreven, maar vandaag wil ik iets meer vertellen over één van hen.

Het gaat om een vrouw van honderd jaar, in alle opzichten een dame. Ik ben altijd welkom bij haar, en ik bezoek haar dan ook graag. Telkens als ik een uurtje bij haar zit, heeft ze wel iets te vertellen. Daarna vertrek ik met een glimlach — en eerlijk gezegd ook met een beetje tegenzin — want ze straalt een blijdschap uit die je zelden ziet.

Maar haar leven is niet altijd over rozen gegaan. Haar vader had een hoge functie bij een opvanghuis voor jongens, waardoor het gezin een goed inkomen had en zij een fijne jeugd kende. Dat veranderde abrupt toen hij overleed. Het inkomen viel grotendeels weg, en het gezin moest rondkomen van een weduwe-uitkering. Constance — zo heet de inmiddels honderdjarige vrouw — besloot werk te zoeken. Ze vond een onderbetaald baantje bij een textielfabrikant en droeg zo haar steentje bij.

Daarnaast ontwikkelde ze een enorme liefde voor boeken. In haar leven heeft ze, naar eigen zeggen, 1020 boeken gelezen. Toen ik dat hoorde, duizelde het me even. Waar haalde ze de tijd vandaan? Had ze een razendsnel leestempo, of bladerde ze vluchtig door de boeken heen? Ik weet het nog steeds niet, want tijdens onze gesprekken laat ze daar niets over los. Het blijft haar geheim.

Onze gesprekken gaan meestal over gewone dingen — de bekende ditjes en datjes waar niemand zich een buil aan valt. En altijd is daar die stralende lach waarmee ze me begroet.

Een tijdje geleden vertelde ze dat ze niets van middagdutjes moet hebben; volgens haar is dat zonde van de tijd. Dat verbaasde me, want de meeste mensen van haar leeftijd dommelen regelmatig even weg. Constance niet. Sterker nog: ze ziet er voor haar zeer hoge leeftijd nog opvallend fit uit.

In haar seniorenappartement probeert ze nog zoveel mogelijk zelf te doen, omdat het haar scherp houdt. Koken doet ze niet meer; daar vertrouwt ze zichzelf niet meer mee. Daarom gaat ze vaak naar het restaurant van het verzorgingshuis, of laat ze een warme maaltijd bezorgen. Daar vertelt ze telkens in geuren en kleuren over, waardoor ik soms spontaan honger krijg.

Ze heeft veel verhalen, maar ze stelt mij ook veel vragen. “Ben je al lang vrijwilliger? Heb je een vriendin? Waar woon je? Heb je een huisdier?” Ik geef altijd eerlijk antwoord, en dan klinkt haar lach soms bijna uitbundig. Wat me echter het meest raakt, is dat ze vlak voor mijn vertrek altijd zegt dat ze het gezellig vond dat ik er was.

Dat maakt mijn vrijwilligerswerk waardevol.

Een paar dagen geleden drukte Constance me een briefje in de hand. Ik voelde meteen de drang om het te lezen. Dit stond erop:

Je bent steeds een zonnestraaltje voor een ieder die je ontmoet. Je schenkt aan anderen vreugde, en je hebt ’t zelf ook goed. Dankjewel voor jouw bezoek.’

Toen ik dat las, stond ik even met de mond vol tanden. Ik kreeg een brok in mijn keel. Met die paar regels liet Constance me weten hoe dankbaar ze was. Daar kon ik even niet tegenop. Maar de vriendelijke blik in haar ogen vertelde me dat het goed was.

© John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Loslaten is ook liefde

AI mag veel, maar geen presentator spelen