Winterse omstandigheden en een onverwachte ontmoeting
Toen ik vanochtend het rolgordijn in de slaapkamer omhoog trok, zag ik het op straat liggen: dat witte goedje dat zo bij de winter hoort. Een door de natuur keurig aangelegd sneeuwtapijt.
Annemarie zag het ook en trok een bedenkelijk gezicht. Ik verkneukelde me al van plezier, want zij haat sneeuw, terwijl ik het heerlijk vind om met Jacky door de sneeuw te banjeren.
Jacky zag de sneeuw eveneens en begon met haar voorpootjes ongeduldig tegen de terrasdeur te drukken. Ze wilde naar buiten — om uitgelaten te worden, maar vooral om een frisse duik in de sneeuw te nemen.
Na het ontbijt liet Annemarie weten dat ze zich niet zo goed voelde. Ik keek haar aandachtig aan. Ze zag er niet pips uit en vertoonde geen enkel symptoom van verkoudheid, waardoor ik wist: dit had alles met sneeuw te maken.
Terwijl zij de afwas deed, liepen Jacky en ik parmantig naar buiten om een frisse neus te halen en samen door de sneeuw te banjeren. Buiten werden we begroet door een buurvrouw die sneeuw van haar autoruit stond te vegen.
“Wat is het koud hè?” zei ze.
Koud? dacht ik. Dit is de lekkerste temperatuur die er is. Maar dat zei ik natuurlijk niet. In plaats daarvan antwoordde ik dat het fris was, maar dat dat ook wel bij de tijd van het jaar hoorde.
Terwijl we praatten, wentelde Jacky zich vol overgave in de sneeuw, tot ze meer leek op een grote sneeuwbal met pootjes dan op een hond.
“Is dat wel goed voor haar?” vroeg de buurvrouw, terwijl de rillingen zichtbaar over haar lichaam liepen.
Ik keek naar Jacky, glimlachte en zei dat dit juist liet zien hoeveel plezier ze had.
Na het gesprek vervolgden we onze weg. Even later kwamen we een andere bewoner van het Achtervoort tegen, die ons vriendelijk groette en daarna haastig richting zijn auto gleed.
In de Rijnstraat kwamen we, op een verdwaalde kat na, niemand tegen. Het was nog maar tien uur. Dat vond ik aan de ene kant vreemd, maar aan de andere kant ook prettig: Jacky en ik hadden alle ruimte.
Die rust hield op bij winkelcentrum Deppenbroek. Het was 2 januari, dus er moest weer worden ingekocht. Daar kwam ik een oude bekende tegen met zijn hond — iemand die ik al ruim een jaar niet had gezien.
Terwijl zijn hond rustig naast Jacky ging liggen, raakten we in gesprek. Hij vertelde dat hij een moeilijke periode had doorgemaakt en dat het leven met een lichamelijke beperking niet altijd eenvoudig was, zeker niet met sneeuw.
“Gelukkig heb ik Rocky,” zei hij, terwijl hij een sigaret rolde. “Die sleept me erdoorheen.”
Hij bood mij er ook een aan, maar die sloeg ik af. Ik had mijn sigaret net in de sneeuw gedoofd.
Na het uitwisselen van adressen en telefoonnummers namen we afscheid. Ik keek Jacky aan en vroeg of we ook maar weer naar huis zouden gaan. Ze stond op en drukte haar lichaam tegen mijn scheenbeen. Dat leek mij een duidelijk antwoord.
Zo zie je maar weer waar een eenvoudige wandeling door de sneeuw toe kan leiden: ontmoetingen met mensen die je van een afstand kent, en met iemand die je al veel te lang niet had gezien.
Copyright, John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.
Reacties
Een reactie posten