In De Kilte Van De Nacht - Herinnerd
Soms brengt het leven je onverwacht terug naar een moment waarvan je dacht dat het voorgoed voorbij was. Een paar dagen geleden kwam ik Ineke weer tegen, mijn vroegere woonbegeleidster. We raakten in gesprek, en plotseling kwam mijn gedicht uit 2007 ter sprake – een tekst die ik schreef in een tijd van onrust, onbegrip en hoop. Tot mijn verbazing bleek de inhoud haar nog altijd bij te zijn gebleven. Dat raakte me. Ik had nooit gedacht dat het zo’n indruk zou maken. Die ontmoeting bracht alles weer terug: de aanleiding, de emoties, en de kracht van woorden die uit het hart komen. Daarom vertel ik dit verhaal opnieuw.
Samen met een groep van 23 andere mensen ben ik in 2008 naar De Specht in Enschede verhuisd. Onze komst naar De Specht was echter niet onomstreden daar de bewoners van de Coppesstraat in Enschede er onvoldoende van op de hoogte waren gebracht. Tijdens een informatieavond werd door de wooncorporatie Ons Huis en de Zorggroep Manna nadere uitleg over onze komst gegeven, maar dat zorgde er niet voor dat de onrust onder de bewoners wegging, sterker nog, de onrust werd er alleen maar door versterkt.
Zitten er misschien veroordeelde verkrachters onder? Maken ex-tbs’ers deel uit van de bewonersgroep? Zitten er drugsgebruikers bij? Dat waren slechts een paar vragen van de vele die de mensen van Ons Huis en de Zorggroep Manna op zich afgevuurd kregen. De antwoorden die ze op de vele vragen gaven hadden tot effect dat de bewoners van de Coppesstraat ons niet wilden, of niet konden accepteren omdat ze in hun ogen niet voldoende door Ons Huis en de Zorggroep Manna geïnformeerd waren.
Mijn toenmalige woonbegeleidster, Ineke van Dijken, liet het een en ander aan mij weten waardoor ik tijdens het gesprek dat ze met me voerde eraan begon te denken om er een gedicht over te schrijven. Direct nadat ze vertrok ben ik in de pen geklommen om dat gedicht te schrijven. De woorden kwamen als een waterval uit mijn brein waardoor ik er moeite mee had om het tempo bij te houden. Dat heeft er voor gezorgd dat ik zo nu en dan even een pauze in moest lassen, want de woorden kwamen te snel, en te opdringerig, waardoor ik ze in alle rust in mijn gedachten op een rijtje probeerde te zetten. Dat lukte, waardoor ik aan het begin van de avond mijn gedicht als voltooid beschouwde.
In het gedicht probeerde ik aan de bewoners van de Coppesstraat duidelijk te maken dat wij als bewonersgroep net als iedereen, ook een tweede of misschien wel derde kans verdienden, en dat wij ook maar gewone mensen waren die toevallig de pech hadden gehad dat we door het leven werden tegengewerkt.
Een paar dagen later las Ineke mijn gedicht, waardoor het me opviel dat ze er stil van werd en zelfs een beetje geëmotioneerd raakte. Minutenlang zat ze zwijgend en zo nu en dan een traan wegpinkend tegenover mij aan tafel, waardoor ik voelde dat de tekst van mijn gedicht haar in het hart had geraakt. Ze herpakte zich, waarna ze aan me vroeg of ik het bezwaarlijk vond dat ze contact met de redactie van de Twentsche Courant op zou nemen, omdat ze van mening was dat mijn gedicht in de krant gepubliceerd moest worden. Ik liet aan haar weten dat het juist mijn bedoeling was dat het gepubliceerd zou worden, maar dat ik op dat moment niet wist hoe ik dat moest doen.
Ineke belde me een paar dagen later waardoor ze aan mij kon vertellen dat een verslaggever van de krant naar me toe zou komen om met mij over het gedicht te praten. Hierdoor hoopte ik dat het balletje ten gunste van de bewonersgroep zou gaan rollen, want dat was mijn doel, of beter gezegd, missie.
De verslaggever kwam, we spraken op een prettige manier over mijn gedicht, dronken daarbij een kop koffie met een koekje erbij, en kwamen samen tot de conclusie dat mijn gedicht een beetje ingekort moest worden, zonder de zeggingskracht ervan aan te tasten. Dat was voor mij geen probleem, daar er naar mijn mening een aantal delen inzaten waar ik wat minder tevreden over was.
Een paar dagen na het prettig verlopen gesprek met de verslaggever heb ik de ingekorte versie van mijn gedicht naar de krant gestuurd, en werd ik telefonisch door de verslaggever benaderd waardoor ze de kans kreeg om aan mij te vertellen dat ik een dag later door een fotograaf bezocht zou worden. Die kwam en maakte een paar foto’s van mij. Een dag later verscheen mijn gedicht met de titel In De Kilte Van De Nacht in de krant, waardoor ik er benieuwd naar werd hoe de bewoners van de Coppesstraat erop zouden reageren. De reacties die ik erop kreeg waren een mix van ‘wat goed dat je je op deze manier voor de medemens inzet’ tot ‘blijf maar lekker weg, we moeten jullie soort niet’.
Hierdoor wist ik dat er nog veel werk te verzetten zou zijn, maar ik wist vanaf dat moment ook dat in ieder geval ik er alles aan zou doen om op een prettige manier in De Specht aan de Coppesstraat te wonen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de weerzin jegens ons langzaam maar zeker verdween daar de bewoners van de Coppesstraat in begonnen te zien dat we een waardevolle aanwinst voor de samenleving aldaar bleken te zijn. Of mijn gedicht daartoe bij heeft gedragen weet ik niet, maar ik heb het vermoeden van wel, daar geschreven woorden die regelrecht uit het hart komen vaak veel meer zeggen dan uitgesproken woorden.
Reacties
Een reactie posten