Hengelo slaat door: privacy is óók een recht, aanvulling

 

Toen ik gisteren een column schreef over het feit dat er in Hengelo ambtenaren zijn die ’s avonds bij uitkeringsgerechtigden naar binnen gluren om te zien wie er op de bank zit, was de oorzaak daarvan mij nog niet bekend. Die informatie kwam later pas. Daarom schrijf ik nu deze aanvulling, zodat het geheel duidelijker wordt.

Bijzondere details over de controle op misbruik van uitkeringen kwamen naar voren in een conflict over de bijstand. Dat conflict noopte een vrouw, die vanuit Enschede naar Hengelo was verhuisd, om een zaak tegen de uitkeringsinstantie van Hengelo aan te spannen.

De vrouw ontvangt sinds 1 juni bijstand, en vanaf 1 juli krijgt zij bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap. Dat betekent dat iemand anders haar financiën beheert en haar helpt bij belangrijke beslissingen.

In juli kreeg de gemeente een anonieme melding over haar, wat aanleiding was voor een onderzoek. De gemeente wilde zeker weten of zij recht had op een uitkering. Daarom werden dossiers doorgespit, werd zij gesproken en werd er bij haar woning gepost.

De conclusie van de gemeente was dat de vrouw van december 2023 tot april 2024 onterecht bijstand had ontvangen, omdat zij in die periode een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd. Daarom eiste Hengelo een bedrag van 6026 euro terug.

De vrouw en de man die regelmatig bij haar thuis was, tekenden bezwaar aan. De vrouw stelde dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat er geen sprake was van financiële verstrengeling of wederzijdse zorg. Ze vertelde de rechter dat zij door de sociale recherche onder druk was gezet.

Ook toonde zij een brief van haar bewindvoerder. Daarin stond dat de gemeente Hengelo “gewenste antwoorden” krijgt wanneer de vrouw onder druk wordt gezet. Ze legde uit dat de man alleen ’s nachts bij haar verbleef. Wat hij overdag deed, wist ze niet; hij werkte niet.

Tijdens een huisbezoek zagen ambtenaren dat de kleding van de man in de logeerkamer lag, waar hij ook sliep. In de weekenden verbleef de vrouw bij haar broer; de man was dan wel in haar woning aanwezig. De ambtenaren noteerden dat de man een 45‑km‑karretje had.

Dezelfde ambtenaren postten bij haar woning en zagen dat het karretje van de man ’s ochtends voor 06.00 uur al vertrokken was. Ook zagen ze ’s avonds een man en een vrouw op de bank zitten.

De sociale recherche bekeek de slaapkamers, de badkamer en zelfs de koelkast. In de koelkast lagen veel zuivelproducten. De vrouw vertelde dat zij geen brood eet, maar alleen zuivel. Het brood dat in de keuken lag, was van de man.

Zelfs het toiletkastje ging open. Er werd genoteerd dat er scheergerei en deodorant voor mannen lag, en dat de tandenborstel van de man aanwezig was. In de kledingkast van de vrouw lag ook kleding van de man.

Aan de rechter vertelde de vrouw dat de man geen huur betaalde en dat hij gebruik mocht maken van de hele woning, behalve haar slaapkamer. Ook maakte ze duidelijk dat de man financieel niet bijdroeg aan het huishouden.

De rechter concludeerde dat de vrouw en de man hun financiën gescheiden hielden, waardoor er geen sprake was van financiële verstrengeling. Daarom oordeelde de rechter dat er géén gezamenlijke huishouding was. Wel merkte hij op dat er in een situatie als deze bij de gemeente een “onderbuikgevoel” kan ontstaan.

Zoals ik in mijn eerdere column al schreef, verklaarde de rechter het bezwaar van de vrouw en de man gegrond. De gemeente Hengelo moet een nieuw besluit nemen, met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast draait de gemeente op voor de proceskosten.

© John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.



Reacties