De ijzeren emmer die een leven redde

 

We zien er talloze documentaires over en we lezen er menig boek over, en toch blijven veel verhalen uit de Tweede Wereldoorlog onbekend — zoals de verzetsdaden van gewone gezinnen.

Mijn oma en opa van moederskant waren mensen die van het leven genoten. Ze hadden vijf kinderen: oom Johan, oom Gerrit, tante Gerda, tante Lies en mijn moeder. Mijn opa werkte bij de zoutfabriek in Hengelo (Ov.) en mijn oma deed het huishouden. Dankzij het goede inkomen van mijn opa leefden ze een zorgeloos bestaan. Maar dat veranderde abrupt toen op 10 mei 1940 de oorlog in Nederland uitbrak.

In het begin probeerden ze de oorlog te negeren en hun leven voort te zetten. Tot op een ochtend mijn opa op de fiets naar zijn werk ging. Tientallen meters voor hem reed een man die hij niet kende. Hij hoorde een voertuig naderen en dacht dat het een vrachtwagen was. Maar het was een Duitse legerwagen. De wagen reed de man voorbij, werd dwars op het fietspad gezet, en Duitse soldaten sprongen eruit. Voor de ogen van mijn opa openden ze het vuur.

Mijn opa dook weg om niet gezien te worden. Toen de soldaten vertrokken waren, rende hij naar de man toe. Maar het was te laat. Dat moment veranderde zijn blik op de oorlog voorgoed. Hij wist dat er iets moest gebeuren om de Duitse agressie te stoppen.

Later die dag vertelde hij zijn echtgenote wat hij had gezien. Samen besloten ze zich bij het verzet aan te sluiten. Eerst hielpen ze twee Joodse gezinnen met onderduikadressen en voedsel. Toen die gezinnen elders ondergebracht werden, verschoof de focus naar het gewapend verzet. Mijn opa had daarbij het voordeel dat hij in de jaren dertig als soldaat had gediend en wist hoe hij met wapens moest omgaan.

Samen met het gewapend verzet voerde hij verschillende acties uit, waardoor hij in het vizier van de Duitse bezetter kwam. Hij werd gevangengenomen, ondervraagd en gemarteld, maar hij gaf niets prijs. De frustratie bij de Duitsers liep op. Ze ontdekten waar hij met zijn gezin woonde en stuurden soldaten naar hun huis.

Op die dag wilde mijn oma water halen bij de pomp. Ze droeg een ijzeren emmer met een verdikte bodem, die ze altijd voor haar buik hield — een gewoonte die haar kinderen nooit goed begrepen. Toen de Duitse soldaten haar zagen, openden ze het vuur. Wonder boven wonder misten de kogels haar, waarna ze het huis in vluchtte. Via de achterdeur bracht ze haar kinderen in veiligheid.

Intussen had het verzet vernomen dat mijn opa in Enschede gevangen werd gehouden. Er werd een bevrijdingsactie opgezet, geholpen door een Duitse officier die niets van de oorlog moest hebben. Hij gaf door waar mijn opa zat en wanneer de wacht gewisseld werd. Dankzij die informatie slaagde de bevrijding. Mijn opa werd naar een veilig adres gebracht, waar hij zijn vrouw en kinderen weer in de armen sloot.

Aan gewapend verzet deelnemen kon hij daarna niet meer; hij was te verzwakt. Daarom verspreidde het gezin illegale kranten — ook de kinderen. Mijn moeder en tante Gerda brachten talloze kranten rond. Oom Johan verrichtte eenvoudige reparaties aan geallieerde voertuigen, oom Gerrit verzorgde gewonde militairen, en tante Lies kookte voor hen.

Op hun eigen manier hebben zij ervoor gezorgd dat velen de oorlog overleefden. Dat ze daarbij zelf gevaar liepen, deerde hen niet.

En die ijzeren emmer? Die heeft het leven van mijn oma gered. De kogels ketsten af op de verdikte bodem. De emmer is nog steeds in familiebezit en staat nu bij mijn zus. Op 10 mei van dit jaar komt hij naar mij toe — en ik weet al precies waar ik hem neer ga zetten.

Oh ja, nog iets: na de oorlog wist mijn opa contact te leggen met de Duitse officier die hem had geholpen. Ze spraken elkaar meerdere keren. Er ontstond een vriendschap voor het leven.

© John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.



Reacties