Een titel die je niet erft, maar krijgt

 

Er zijn dagen dat er bij Annemarie en mij thuis niet veel gebeurt. Vandaag was zo’n dag. Ik ging met Jacky op pad om haar uit te laten. Deze keer liep ik niet naar de Rijnstraat; ik besloot dat de Voortsweg de voorkeur had. Jacky keek me even verrast aan — ze is immers gewend aan de Rijnstraat — maar ze stribbelde niet tegen.

Als je de Voortsweg een eindje afloopt, kom je vanzelf in de natuur terecht. Toen Jacky dat zag, begon ze blij te blaffen. Honden hebben iets met de natuur, iets wat wij mensen eigenlijk ook hebben. Nieuwsgierig als altijd dook ze overal in waar ze maar in kon, waardoor ik dacht dat ik er goed aan had gedaan om eens een andere route te kiezen.

Na een goed half uur keerden we terug naar huis. Op de parkeerplaats stond een bordeauxrode Volkswagen die ik meteen herkende: de auto van Annemarie-Sophie, het oudste kleinkind van Annemarie. Ze was samen met haar vriendin Anke gekomen.

Annemarie-Sophie is enige tijd geleden afgestudeerd aan de Universiteit van Utrecht en werkt nu als kunsthistorica bij het Rijksmuseum Twenthe. Ik begroette de twee hartelijk toen ik ze aan onze tafel zag zitten.

Tussen Annemarie-Sophie en mij bestaat een hechte band die ons beiden goed doet. Vlak na haar geboorte hield ik haar als baby zacht in mijn armen; het eerste contact was meteen daar. In de jaren die volgden werd die band alleen maar sterker. Ik had er altijd het volste vertrouwen in dat het goed met haar zou komen.

Als hoogbegaafd kind had ze het op de lagere school niet altijd makkelijk. Ze vroeg Annemarie en mij geregeld om raad. We luisterden aandachtig naar haar verhalen, onder meer over het gepest worden, en gaven haar de adviezen die we konden geven. Dat ze die ter harte nam, bleek later.

Op de middelbare school blonk ze uit in bijna alle vakken. Het eindexamen was voor haar min of meer een appeltje-eitje. Daarna meldde ze zich aan bij de Universiteit van Utrecht om kunstgeschiedenis te studeren — en ze werd toegelaten. Het studeren ging haar goed af; haar tentamencijfers waren ruim voldoende om met vertrouwen naar het eindexamen toe te leven.

En nu zat ze daar dan, samen met Anke, aan onze tafel, genietend van een kopje koffie met een koekje erbij. Toen ik binnenkwam, toverde ze een charmante lach op haar gezicht, stond op, spreidde haar armen en zei: “Hoi opa, hoe is het met je?” Ze knuffelde me stevig, waardoor ik haar een kus op de wang kon geven.

Het gaat goed met mij, wat fijn dat jullie er zijn, lieverd,” zei ik terwijl ik haar zachtjes iets steviger tegen me aandrukte. Daarna begroette ik ook Anke, die ik even omhelsde.

Met z’n vieren bespraken we van alles en nog wat. Ik zag dat Annemarie-Sophie met Anke helemaal in haar nopjes was. Ondertussen keek Jacky haar hoopvol aan — ze wilde gewoon even aangehaald worden. Dat deed Annemarie-Sophie natuurlijk, waardoor voor Jacky alles goed was.

Na de koffie en de koekjes kwam de frisdrank op tafel en gingen we vrolijk verder met ons gesprek. Jacky bleef al die tijd naast de tafel zitten. Niet omdat ze hoopte op een stukje koek, maar omdat ze voelde dat ze er helemaal bij hoorde.

Na verloop van tijd vertrokken Annemarie-Sophie en Anke weer. Annemarie en ik ruimden de boel tevreden op, gingen daarna op de bank zitten en keken naar een televisieprogramma.

Terwijl we keken, dwaalden mijn gedachten af naar het onverwachte bezoek. Annemarie-Sophie noemt mij opa, maar eigenlijk ben ik dat niet. Voordat ik Annemarie leerde kennen, was zij getrouwd. Uit dat huwelijk werd haar dochter Joyce geboren. Toen Joyce 21 was, zette ze Annemarie-Sophie op de wereld. De echtgenoot van Annemarie verongelukte later dodelijk, waardoor ze jaren als weduwe door het leven ging — tot ze mij leerde kennen.

En toch noemt Annemarie-Sophie mij opa. Ze weet dat ik het in feite niet ben, maar ze doet het toch. Niet alleen omdat ze niet anders gewend is, maar vooral omdat het goed voelt. Voor haar én voor mij.

© John Kukken, 2026, alle rechten voorbehouden.



Reacties